55 Terneuzen Jeugdzorg

Kinderbeschermingsmaatregelen

Ondertoezichtstelling van de
ongeboren vrucht

C.J. Freeke, s193856

1 juli 2011

Docente: Mw. mr. J.M.H.P. van Neer

Elementair Privaatrecht B

Faculteit der Rechtsgeleerdheid

 

 

                                               

                                                                              Archieffoto
BN DeStem

Inhoud

Laura Dekker

1
Inleiding

De ondertoezichtstelling is in de actualiteit gekomen doordat het 14 jarige zeilmeisje[1] met haar
boot rond de wereld wilde varen. De Raad van Kinderbescherming[2] vond dat
geen goed idee, maar op 27 juli 2010 werd de ondertoezichtstelling door de rechter opgeheven.[3]

De ondertoezichtstelling is de meest voorkomende
kinderbeschermingsmaatregel.

Aan het einde van 2009 stonden 33.164 kinderen onder toezicht.[4]

Iris en Johan hebben drie uit huis geplaatste kinderen. Iris is van hun
vierde kind in verwachting. Iris is verstandelijk beperkt; zij aanvaardt echter
hulp bij haar huishouding. Johan accepteert hulp bij zijn alcoholprobleem. De
hulpverleners bezien de nieuwe baby met ‘beschermersogen’…

1.1      Probleemstelling

De Raad van Kinderbescherming
vordert in rechte dat Iris en Johan van het gezag over hun drie kinderen wordt
ontheven plus zo mogelijk een (voorlopige) ondertoezichtstelling van het kind
van wie Iris nu in verwachting is.

De eerste deelvraag
luidt of een (voorlopige) ondertoezichtstelling van
het ongeboren kind gerechtvaardigd is.

De tweede deelvraag
luidt of een ontheffing van de ouderlijke macht
gerechtvaardigd is.

1.2      Plan van aanpak

De voorliggende casus spitst zich toe op de ondertoezichtstelling van het kind van wie de moeder nu in verwachting is. De hulpverleners hebben om de nieuwe baby nu al grote zorgen.

Aan de hand van het geldend recht wordt onderzoek gedaan naar hoofdstuk 2.1 inhoud en karakter van gezamenlijk ouderlijk gezag; hoofdstuk 2.2 de ondertoezichtstelling en in
hoofdstuk 2.3 de ontheffing van het ouderlijk gezag. We doen een literatuuronderzoek. Daaronder wordt niet uitsluitend boeken en tijdschriften verstaan, maar ook wetten, verdragen, jurisprudentie, parlementaire stukken en elektronische artikelen.[5] Op basis daarvan verwachten wij een advies te kunnen geven. We evalueren of aan de belangen van alle partijen recht is gedaan en sluiten af met een conclusie.

2 Geldend recht

2.1 Inhoud en karakter van gezamenlijk ouderlijk gezag

Het ouderlijk gezag wordt door de ouders gezamenlijk of door
één ouder uitgeoefend (artikel 1:245, lid 3 BW). In beginsel duurt gedurende hun huwelijk[6] het gezag van rechtswege van de geboorte tot aan de meerderjarigheid van het kind, in het algemeen bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd, of eerder door huwelijk. Een ongehuwde zestien- of zeventien jarige vrouw, die zelf haar kind wilt verzorgen, kan de kinderrechter vragen haar meerderjarig te verklaren.[7]

De ouders die niet met elkaar zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan oefenen het gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk uit, indien dit op hun beider verzoek in het daartoe bestemde openbare register van de rechtbank wordt aangetekend, zo bepaalt artikel 1:252, lid 1 BW. Na echtscheiding blijven de ouders in beginsel gezamenlijk belast met de uitoefening van het gezag over hun kinderen. In de
praktijk is het mogelijk dat de gezagsuitoefening bij één van beide ouders terechtkomt door middel van een rechterlijke beslissing (artikel 1:253n BW).
Volgens artikel 1:252 lid 2 BW is het belang van het kind leidend criterium. Het internationale recht heeft in belangrijke mate de inhoud en karakter van het ouderlijk gezag in Nederland bepaald. De aanbeveling van het comité van ministers van de Raad van Europa uit 1984 betreft belangrijke beginselen over ouderlijke verantwoordelijkheden.[8]

Deze aanbeveling is vooral terug te vinden in artikel 1:247
lid 1 en 2 van het BW, namelijk de rechten en plichten om het kind op te voeden. Hieronder wordt verstaan zorg te dragen voor zowel geestelijk als lichamelijk welzijn, ofwel het materiële en morele welzijn. De laatste regel van lid 2 van dit artikel is later toegevoegd en bevat in feite het verbod op kindermishandeling.

2.2 Ondertoezichtstelling

De maatregel van ondertoezichtstelling van minderjarige
kinderen is de jongste justitiële jeugdhulpverleningsmaatregel. De voorwaarden waaronder een kinderrechter kan overgaan tot ondertoezichtstelling staan in artikel 1:254 BW gedefinieerd, namelijk als het kind zo opgroeit dat zijn
belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending
van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. De Raad van
Kinderbescherming onderscheidt oudergebonden factoren[9]
en kindgebonden factoren.[10]

De
maatregel is een geschikt instrument indien de ouders geen toestemming willen
geven voor een medisch noodzakelijke ingreep, bijvoorbeeld een hartoperatie[11]
of oogoperatie[12], of
de ouders Jehova’s Getuigen zijn en op basis van hun geloofsovertuiging geen
donorbloed voor hun minderjarige kinderen accepteren.[13] 

De
maatregel om de minderjarige donorbloed toe te dienen is in beginsel in strijd
met de vrijheid van godsdienst (artikel 9 EVRM). Lid 2 beschermt echter de gezondheid (beperkingsclausule).

Het
kind waarvan een vrouw zwanger is wordt als reeds geboren aangemerkt, zo
dikwijls zijn belang dit vordert; komt het dood ter wereld, dan wordt het
geacht nooit te hebben bestaan, bepaalt artikel 1:2 BW.  Volgens Leenen vormt de vrucht één geheel met
de moeder, maar heeft een eigen leven. Het gaat om twee wezens, moeder en het
ongeboren kind. Dit blijkt onder meer uit het feit dat zij onafhankelijk van
elkaar kunnen overlijden.[14] 

Zelfstandige
levensvatbaarheid wordt 24 weken[15]
na de conceptie aangenomen, omdat vanaf dat tijdstip van abortus volgens de Wet
houdende (…) afbreken van zwangerschap sprake is.

De
vrouw heeft recht op zelfbeschikking over haar eigen lichaam, ook als zij
zwanger is.[16]

Als
het om zware drugsverslaving gaat, wordt het middel ondertoezichtstelling
ingezet.[17]

Nu het nog ongeboren kind zou opgroeien in dezelfde
(onhygiënische en onveilige) gezinssituatie, die eerder heeft geleid tot een
spoeduithuisplaatsing van de andere drie kinderen van de moeder. (…). Hoewel de
moeder een betrokken ouder is, lijkt zij een onvoldoende realistisch beeld van
zichzelf te hebben. (…) Naar het oordeel van het hof is zij onvoldoende in
staat op vrijwillige basis haar medewerking aan hulpverlening te verlenen en
doet de minderjarige mitsdien tekort in zijn ontwikkeling.[18]

Moeder en haar oudste twee kinderen zijn slachtoffer geweest
van huiselijk geweld, seksueel misbruik en fysieke mishandeling (…) en zij is
niet in staat geweest haar kinderen te beschermen, die (daardoor) ergens anders
wonen. Moeder heeft een LAT-relatie. Een begeleide kraamtijd wordt nodig
geacht. De ondertoezichtstelling vangt vóór de bevalling aan.[19]
Moeder heeft korte tijd met haar twee minderjarige kinderen bij familie
gewoond, maar moest daar weer weg en dreigde op straat te komen staan. (…) Het
gezin kwam in een crisisopvang. De moeder is daarna bij een vriendin gaan
wonen.  De biologische vader woont in Brussel
en is  nauwelijks betrokken bij de
verzorging en opvoeding van de kinderen. Moeder, die Afrikaanse van geboorte
is, heeft haar woning (…) “ritueel laten reinigen” en woont daar sinds kort
weer. De moeder voert geen verweer tegen de ondertoezichtstelling van haar
ongeboren vrucht.[20]

2.1
Ontheffing
ouderlijk gezag

De rechtbank kan een ouder van het gezag over een of meer
van zijn kinderen ontheffen (artikel 1:266 BW), mits het belang van het kind
zich niet verzet en de ouder ongeschikt of onmachtig is tot verzorging.
Ontheffing wordt volgens artikel 1:267, lid 1 BW slechts uitgesproken op
verzoek van de Raad van Kinderbescherming of van het Openbaar Ministerie en op
verzoek van de pleegouders na geslaagd aanwenden van het blokkaderecht (artikel
1:267).

Ouders
kunnen overigens niet zelf om ontheffing vragen. De wetgever wilde voorkomen
dat ouders zich te gemakkelijk aan hun plicht tot verzorging en opvoeding
kunnen onttrekken.[21]

De ontheffing is gebaseerd op ongeschiktheid of onmacht. Het
is niet zo dat de ouder meteen alle ouderlijk gezag over alle kinderen
verliest. Het is mogelijk dat de ouders onmachtig of ongeschikt zijn (…) hun
kinderen, vanwege hun bijzondere eigenschappen, op te voeden.[22]

Als één ouder het gezag verliest, dan oefent alleen de andere
ouder het gezag uit (artikel 1:274, lid 1 BW). Indien beide ouders het gezag
wordt ontnomen, dan benoemt de rechtbank een voogd over de minderjarige
kinderen (artikel 1:275 BW).

Artikel 3 IVRK geeft aan dat het kind dient te worden
beschermd en dat de belangen van het kind voorop staan. Ouders hebben de
fundamentele vrijheid hun kinderen naar hun eigen waarderingen op te voeden en
pas wanneer het evident is dat ernstig gevaar voor de geestelijke of
lichamelijke ontwikkeling dreigt, waardoor het ouderlijk gezag overduidelijk
niet in het belang van het kind is, is een kinderbeschermingsmaatregel geboden.[23]

In ogenschouw moet worden genomen dat bij een ontheffing een
niet meer omkeerbaar hechtingsproces van het jonge kind vanaf de geboorte tot
de leeftijd van zes jaar plaatsheeft.[24]

Procedures plegen zich namelijk voort te slepen en dat kan
tot gevolg hebben dat vanwege de

onthechting een ten onrechte verleende ontheffing niet meer
ongedaan kan worden gemaakt.

Kinderbeschermingsmaatregelen
moeten daarom als ultimum remedium
worden ingezet.

De eis van noodzakelijkheid
in de zin van artikel 8, lid 2 EVRM, moet worden beoordeeld.[25]

Het EHRM overwoog dat de autoriteiten in het geheel niet
hadden onderzocht over welke mogelijkheden zij beschikten om het kind te
beschermen zonder het van de moeder te scheiden. De beweegreden voor de
maatregel was relevant, maar niet voldoende, dus disproportioneel.[26]

Een kinderbeschermingsmaatregel leidt er niet toe dat het in
artikel 8, lid 1 EVRM bedoelde familie- of gezinsleven eindigt, omdat vanaf dat
moment van overheidswege de plicht ontstaat naar gezinshereniging toe te
werken.[27]

De
moeder is gediagnosticeerd met schizofrenie. Na uithuisplaatsing van de
minderjarige langer dan 1,5 jaar bestaat de vrees dat de dreiging volgens
artikel 1:254 BW niet wordt afgewend.
[28]

De minderjarige heeft baat bij de één-op-één begeleiding in
de AWBZ-instelling, terwijl zijn moeder nauwelijks leerbaar is gebleken. Zijn
belang verzet zich niet tegen de ontheffing.[29]

In het volgende arrest[30] komt de Hoge Raad op
rechtspraak terug aangaande gedwongen ontheffing van ouderlijk gezag op de voet
van artikel 1:266 en 268, lid 2, aanhef en onder a, BW.

Verzoeker is de vader van Y, die in 1998 is geboren uit het
huwelijk van verzoeker en zijn echtgenote. Deze is in november 2000 spoorloos
verdwenen. Verzoeker is in verband daarmee aangehouden en gedetineerd, en hij
is thans onherroepelijk veroordeeld wegens doodslag op zijn echtgenote. Y, die
in 2001 onder toezicht is gesteld en uit huis geplaatst, wordt sedert 20
november 2000 opgevoed in het gezin van een zuster van zijn moeder. Hij is zeer
gehecht aan zijn pleegouders. Elk perspectief om Y terug te plaatsen bij zijn
vader ontbreekt.[31]

(…) Het hof heeft het belang van Y afgewogen tegen het
gevoel van onwaardigheid van verzoeker en diens vrees dat ontheffing zal leiden
tot verlies van contact met Y, waarmee het hof heeft miskend dat het geen
belangen had af te wegen doch moest beslissen of zich de uitzondering voordeed
als bedoeld in artikel 1:268 lid 2, onder a BW. De Hoge Raad releveert:

Deze rechtspraak behoeft in verband met het belang van
het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie
heroverweging, in zoverre dat het blijk geven van die duurzame bereidheid
weliswaar in de beoordeling moet worden betrokken, maar niet (zonder meer) in
de weg staat aan gedwongen ontheffing.
[32]

De ondertoezichtstelling als koning der
kinderbeschermingsmaatregelen met zijn grens in de ontheffing, zo schrijft
Weterings. Treffend is zijn omschrijving: “Echter, in 'eindeloze tijdelijkheid'
kan een kind zich niet goed ontwikkelen; hij blijft leven ‘in afwachting
van…’”.[33]

3
Advies

3.1
Korte
schets van de feiten

Iris en Johan zijn in 1997 in het huwelijk getreden. Johan
heeft een alcoholprobleem, terwijl Iris beperkte verstandelijke vermogens
heeft. Vanwege de grote problematiek zijn de kinderen met rechterlijke
machtiging in 2007 uit huis geplaatst. Job, geboren 1988, Sara geboren 2001 en
Esther, geboren 2004, worden ergens anders goed verzorgd. Iris en Johan zijn niet
van plan Sara en Esther die in hetzelfde pleeggezin verblijven en Job die in
een gespecialiseerde instelling is opgenomen, naar huis te halen. Intussen
accepteert Johan hulp voor zijn alcoholprobleem en krijgt Iris ondersteuning
bij het huishouden. Iris is in verwachting en het ongeboren kind is bij
beiden zeer welkom. De Raad wil echter dat
Iris en Johan van het ouderlijk gezag over hun drie kinderen worden
ontheven plus zo mogelijk een (voorlopige) onder toezichtstelling van het kind
van wie Iris nu in verwachting is. De vraag rijst of een zodanig verzoek aan de
rechter gerechtvaardigd is. De casus van Iris en Johan is uit het leven
gegrepen.

3.2      Concreet
advies

3.2.1      Ondertoezichtstelling

De eerste deelvraag luidt of een
(voorlopige) onder toezichtstelling van het ongeboren kind gerechtvaardigd is. Op
verzoek van de Raad van Kinderbescherming kan op grondslag van artikel 1:267,
lid 1 BW ontheffing worden uitgesproken. In beginsel is preventief optreden
mogelijk bij de bescherming van een ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd kind.[34]

Niet is komen vast te staan dat Iris en Johan terecht zijn
gekomen in situaties zoals omschreven in de arresten van hoofdstuk 2.2. Niet
blijkt dat het nog ongeboren kind in een onhygiënische en onveilige
gezinssituatie zal opgroeien of dat Iris een onvoldoende realistisch beeld van
zichzelf heeft. Uit niets komt naar voren dat haar kinderen slachtoffer zijn
geweest van huiselijk geweld, seksueel
misbruik of fysieke mishandeling. Iris is niet verslaafd. Het gezin is niet in
een crisisopvang gekomen. Johan woont niet ergens anders. Kortom de
omstandigheden zijn niet ongunstig. Gelet op de houding van Iris en Johan wordt
de baby juist perspectief geboden.

Nu Johan hulp voor
zijn alcoholprobleem accepteert en Iris ondersteuning bij het huishouden
krijgt, is er thans geen enkele aanleiding om het (ongeboren) kind onder
toezicht te doen stellen. 

3.2.2      Ontheffing van het ouderlijk gezag

De tweede deelvraag luidt of een ontheffing
gerechtvaardigd is. Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechtbank een
ouder van het ouderlijk gezag ontheffen. Dit gebeurt veelal op verzoek van de
Raad van Kinderbescherming. Ontheffing van het gezag kan noodzakelijk zijn om
te waarborgen dat het kind permanente duidelijkheid wordt geboden over zijn
(haar) verblijfplaats.[35]

Met beperkt functionerende ouders moet uiterst zorgvuldig
worden omgesprongen, zeker als zij hulp, zoals Iris en Johan, accepteren, omdat
kinderen vaak beter floreren in het eigen gezin dan in een pleeggezin of
residentiële voorziening.[36]

Indien ten onrechte ontheffing wordt verleend, is het gevaar
niet denkbeeldig dat bij een onverhoopt lange procedure het jonge kind van 0-6
jaar onomkeerbaar wordt onthecht.[37]

Ouders mogen hun kinderen naar hun eigen normen en waarden
opvoeden en pas wanneer een ernstig gevaar voor de geestelijke of lichamelijke
ontwikkeling dreigt, moet er van overheidswege worden ingegrepen. De
hulpverleners zagen de wisselende betrekkingen
van  Iris met mannen.

Niet blijkt echter dat in hoofdstuk 2.3 omschreven
omstandigheden op Iris en Johan van toepassing zijn, bijvoorbeeld dat één van
de ouders aan schizofrenie
lijdt of dat bijzondere eigenschappen van de drie uit huis geplaatste kinderen
tot ontheffing nopen. Iris en Johan verzetten zich niet t
egen de
uithuisplaatsing van hun drie kinderen, terwijl de situatie van het arrest
waarin de Hoge Raad op eerdere rechtspraak terugkomt, zich niet voordoet.
Anders dan bij Iris en Johan ontbreekt elk
perspectief
om de minderjarige bij de vader terug te plaatsen.[38]

Om de ondertoezichtstelling van de nieuwe baby gewicht te
geven, trekken de hulpverleners alle registers open en bepleiten daarenboven
ontheffing van het ouderlijk gezag.

Het ligt evenwel voor de hand dat de hulpverleners hun
voornemens vooraf aan Iris en Johan voorleggen. Uit de feiten blijkt niet dat
dit is gebeurd. Iris en Johan krijgen geen schijn van kans.

Kinderbeschermingsmaatregelen moeten, als gezegd, als  ultimum
remedium
worden ingezet.

Het excessieve verzoek
van de hulpverleners om Iris en Johan van het ouderlijk gezag over hun drie
kinderen te ontheffen komt dan ook ongegrond voor.

4       Belangen

In
dit hoofdstuk wordt geëvalueerd of aan de belangen van alle partijen recht is
gedaan. Aan bod komen de partijen die feitelijk een afgeleid belang hebben,
namelijk de (pleeg) ouders, de Raad van Kinderbescherming en tot slot het
belang van het kind zelf.

4.1      Belang
(pleeg)ouders
 

Voor ouders zijn kinderen vaak hun kostbaarste ‘bezit’. Met
‘kostbaar’ wordt niet verwezen naar het financiële aspect, hoewel de kosten in
de papieren kunnen lopen. En van bezit in de werkelijke betekenis van het woord
is al evenmin sprake. Kinderen zijn vanaf de geboorte volstrekt afhankelijk van
de liefde en verzorging van hun ouders en kunnen zich hechten. Recht op
familieleven (artikel 8 EVRM) bestaat, maar indien een ernstig gevaar voor de
geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van een kind dreigt, moet daar inbreuk
op worden gepleegd. Een inbreuk impliceert vaak de plaatsing van de
minderjarige in een pleeggezin. Van pleegouders wordt veel verwacht: gezond
verstand, doorzettingsvermogen, geduld en flexibiliteit.[39]

Pleegouders en hun kinderen hechten evenzeer. Begrijpelijk
is daarom dat pleegouders plegen te procederen wanneer zij ‘hun’ kind dreigen
te verliezen. De procedure is succesvol indien de rechter het belang van de
minderjarige van zwaardere betekenis acht dan dat van de biologische moeder.
Zij mogen immers dan hun kind ‘houden’. Primair dient een kind in het eigen
gezin op te groeien. Feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 1:254 BW
kunnen tot een andersluidend oordeel leiden. Het Hof Den Haag is geroepen de
knoop door te hakken nu moeder, zo blijkt tijdens de zitting, zich zal blijven
verzetten tegen verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Moeder is
kennelijk niet in staat bij te dragen aan een onverstoord verloop van de
emotionele ontwikkeling van de minderjarige. Ontheffing (…) zal zijn
ontwikkeling en hechting in het pleeggezin ten goede komen en daarmee zijn
gevoel van basisveiligheid.[40]

4.2      Belang
van de Raad van Kinderbescherming

Net als bij de pleegouders gaat het hier om een van het kind
afgeleid belang. Ook de Raad procedeert in het belang van het kind. Het is een
feit van algemene bekendheid dat de Raad
alsook Bureau Jeugdzorg bureaucratisch zijn ingesteld.[41] De juridisering kan
zomaar toeslaan.[42]

Verkeerde beslissingen kunnen onherstelbaar onrecht
aanrichten. Ongecontroleerde belastende informatie over de andere ouder zit in
het dossier: de Raad acht waarheidsvinding irrelevant.[43]

4.3      Belang
kind

Het belang van het kind gaat te allen tijde voor. Artikel 7
IVKR bepaalt dat het kind recht heeft (…) zijn ouders te kennen en door hen te
worden verzorgd. Het kind zelf is geen rechtsgrond, maar ‘onmacht’ en
‘ongeschikt’ van de ouders. De rechtbank motiveert om welke redenen de ouders onmachtig
en ongeschikt zijn hun twee kinderen op te voeden (…). Het is dan ook in het
belang van de twee kinderen dat de ouders van het gezag worden ontheven.[44]

De rechter wijst een voorlopige voogdij over een ongeboren
kind van een verslaafde vrouw  telefonisch
toe. Het kind zal met grote waarschijnlijkheid verslaafd ter wereld komen.[45]

Voor de baby van Iris en Johan is het juist van belang dat
deze welkom is en in zijn omgeving wordt geboren. Een verkeerde beslissing
leidt aantoonbaar tot onrecht en emotionele schade.[46]  En tot slot: zo op enig moment er aanleiding
toe bestaat, kan een ondertoezichtstelling altijd nog worden gevorderd. Het
verzoek van de hulpverleners kan als disproportioneel worden aangemerkt. Nu de Raad geen inzicht in zijn gedachtegang
geeft, wordt
aan de belangen van alle
partijen recht gedaan, indien de onvoldoende gemotiveerde vorderingen worden
afgewezen.

5
Conclusie

Deze conclusie bevat het antwoord op de probleemstelling, te
weten of de vordering inzake de ontheffing van het ouderlijk gezag over de drie
kinderen plus zo mogelijk de ondertoezichtstelling van het ongeboren kind voor
inwilliging vatbaar is. Uit de feiten kan worden afgeleid dat de hulpverleners
disproportionele maatregelen voorstaan. Verder lijkt het raadzaam dat de hulpverleners
eerst met Iris en Johan overleggen plegen over het vermeende probleem. Thans is
er geen aanleiding om kinderbeschermingsmaatregelen van welke aard dan ook te
vorderen.

De hulpverleners zoeken op basis van de wet
hun toevlucht tot een gekunstelde constructie. Om de ondertoezichtstelling van
het ongeboren kind te rechtvaardigen wordt immers ook ontheffing van het
ouderlijk gezag gevorderd. De Raad neemt dit advies blijkbaar klakkeloos over.

Uit het feitenmateriaal van Iris en Johan
blijken namelijk geen gegevens die de enkele overname van dit ‘advies’
wettigen. Hulpverleners komen steeds met het gezin in contact. Mogelijk hebben
de wisselende betrekkingen van Iris met andere mannen hun oordeel subjectief
beïnvloed.

Het
geheel overziende wordt de rechter in overweging gegeven de gevorderde
ontheffing van het ouderlijk gezag en de ondertoezichtstelling van het
(ongeboren) kind ongegrond te verklaren.

6       Bronnenlijst

Boeken:

C. Asser, J. de Boer, Personen-
en familierecht
, Deventer: Kluwer 2006.

A.E. Henstra, Van
afstammingsrecht naar ouderschapsrecht
, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers
2002.

H.J.J. Leenen, J.K.M.
Gevers, J. Legemaate,  Handboek
gezondheidsrecht deel 1 Rechten van mensen in de gezondheidszorg
, Houten:
Bohn Stafleu van Loghum 2007.

R.J.N. Schlössels, Bestaat
er nog een dienende overheid?
De gemeentestem, 2010, 160.

P. Vlaardingerbroek, K.
Blankman, A. Heida, A.P. van der Linden, E.C.C. Punselie, J.A.E. van
Raak-Kuiper, Hedendaagse personen- en familierecht, Deventer: Kluwer
2008.

M.G. IJzermans & G.A.F.M. Schaaijk, Oefening baart
kunst. Onderzoeken, argumenteren en presenteren voor juristen,
Den
Haag:  Boom Juridische uitgevers 2007.

 

Tijdschriften:

J.E. Doek, ‘De
ontheffing van het ouderlijk gezag: Enige beschouwingen over de noodzaak van
bezinning op en vernieuwing van de ontneming van gezag’, Tijdschrift voor familie- en jeugdrecht, 1997, nr. 5. 

R.J.P. Kottenhagen,
‘Botsende rechten van moeder en ongeboren kind’, Tijdschrift voor

Gezondheidsrecht, december  2008.

A.M. Weterings, ‘De OTS
als koning der kinderbeschermingsmaatregelen met zijn grens in de ontheffing’, FJR-4, april 1997.

G.J. van Wijk, Hoezo
noodzakelijk? Rechtsgronden voor kinderbeschermingsmaatregelen
, (diss
Amsterdam), Thela Thesis 1999.

 

Jurisprudentie:

EHRM 12 juli 2001,
A  25702/94  (K. and T. v. Finland).

HR 29 juni 1984, NJ 1984, 767.

HR 4 april 2008, NJ
2008, 506, m.nt. Prof. mr. J. de Boer.

Raad van State 30
januari 2002, FJR 2002, 18.

Hof Den Haag 26 oktober 1965, NJ 1967,
121.

Hof ’s-Hertogenbosch 20
juni 1996, NJ 1997, 169.

Hof Arnhem 29 april
2008, AR 2008/1043.

Hof Den Haag 1 juli
2009, AR 2009/1507.

Hof 's-Gravenhage 9 juni 2010, LJN
BN2572.

Hof ’s-Gravenhage 23 juni 2010, LJN
BN0691.

Hof ’s-Gravenhage 27 oktober 2010, LJN BP2882.

Rb. Rotterdam 9 mei 2006, LJN AX2185.

Rb. ’s-Gravenhage 7 oktober 2008, LJN BGO849.

Rb. Arnhem 15 juli 2009, LJN BJN2940.

Rb. Arnhem 20 oktober 2009, LJN BK9430.

Rb. Assen 3 november 2010, AR 2010/4974.

Ktr. Dordrecht 27 juni 1973, NJ 1973,
432.

Kamerstukken:

Kamerstukken II 1995/96, 24 669, nr. 3.

 

Andere documenten:

A. Brenninkmeijer, ‘De
Nationale Ombudsman’, Telegraaf 11
juni 2011.

CBS
webmagazine
31 augustus 2010.

NRC Handelsblad 30 april 2009.

Recommendation on Parental Responsibilities 27 februari 1984.

<http://bloedtransfusies.blogspot.com>

<http://www.freya.nl/web_pleegzorg/pleegzorg.php>

<http://www.nji.nl/nji/dossierDownloads/Jeugdzorg_Slotrapportage-jeugdzorgbrigade.pdf>

<

WBack To Top